De hoofdarts keek haar een paar seconden zwijgend aan. Niet boos. Niet gehaast. Gewoon… aandachtig. De kantine, die net nog vol geroezemoes was, leek ineens stil te vallen.
“Mevrouw,” zei hij kalm, “u schreeuwt tegen een van onze meest toegewijde verpleegkundigen. Tijdens haar wettelijke lunchpauze.”
De vrouw fronste. “Nou en? Ze werkt hier toch? Dan moet ze—”
Hij hief één hand op. Niet dramatisch, maar vast.
“Laat me even uitspreken.”
Ze zweeg. Haar man keek eindelijk op van zijn telefoon.
De hoofdarts draaide zich iets naar mij toe. “Zuster Van Dijk,” zei hij hardop, zodat iedereen het kon horen, “hoeveel uur draait u vandaag?”
Ik schrok even. “Eh… dit is mijn twaalfde uur, dokter. Ik ben ingesprongen voor twee zieken collega’s.”
Hij knikte langzaam. “En hoeveel patiënten heeft u vandaag verzorgd?”
“Zesentwintig,” antwoordde ik zacht. “Waarvan drie op de IC.”
Een paar mensen in de kantine wisselden blikken. De vrouw rolde met haar ogen.
“Dat is toch gewoon haar baan?”
De hoofdarts draaide zich weer naar haar toe. Zijn stem bleef rustig, maar werd kouder.
“Dat klopt. En haar baan heeft vandaag drie levens gestabiliseerd. Eén daarvan was vanmorgen een man van middelbare leeftijd met een hartstilstand.”
De man naast haar verstijfde.
“Mijn man?” vroeg de vrouw plots, haar stem iets minder zeker.
De hoofdarts keek naar het dossier dat hij blijkbaar al in zijn hand had.
“Ja. Kamer 418. Meneer De Vries.”
Het werd doodstil.
De man liet zijn telefoon zakken. “Wacht… jij was dat?” zei hij tegen mij, zijn ogen groot. “Jij was degene die—…………….