Odes staarde me aan alsof ik haar net in een vreemde taal had aangesproken.
“Schoonmaken?” herhaalde ze langzaam. “Mijn kinderen…?”
Ik knikte. “Elke zondag. Al weken. Calla en Idris zijn altijd buiten. Met bezems, vuilniszakken… ik dacht dat u het wist.”
Haar glimlach verdween. Ze zette de boodschappentas langzaam op de grond.
“Mevrouw Harris,” zei ze zacht, “ik werk elke zondag. De kinderen zijn dan alleen thuis.”
Er trok een koude rilling door me heen.
“Ze hebben me nooit iets gezegd over schoonmaken,” ging ze verder. “Ik dacht dat ze gewoon… binnen bleven. Televisie, spelletjes.”
Ik haalde diep adem en haalde de munten uit mijn zak. Ze glinsterden in het namiddaglicht.
“Dan moet u dit zien,” zei ik.
Ik liet haar de munten zien en vertelde haar wat ik die ochtend had ontdekt — hoe Idris iets onder de struiken verstopte, hoe ik daarna overal muntjes vond. Onder struiken. Tussen stoeptegels. Bij het putje.
Odes’ gezicht werd bleek.
“Dat… dat is niet mogelijk,” fluisterde ze. “Waarom zouden ze—”
Ze brak haar zin af en schudde haar hoofd. “Nee. Dit klopt niet.”
Diezelfde avond klopte ze aan bij mijn deur, dit keer met Calla en Idris naast zich. De kinderen stonden er stijf bij, hun schouders gespannen, ogen op de grond gericht.
“We gaan dit nu uitpraten,” zei Odes streng. “Binnen.”
We gingen aan mijn keukentafel zitten. De munten lagen uitgespreid tussen ons in, als bewijsstukken.
“Willen jullie mij uitleggen,” begon Odes, “waarom mevrouw Harris overal geld heeft gevonden dat jullie hebben verstopt?”
Het bleef even stil. Toen haalde Calla diep adem.
“Het was niet slecht bedoeld,” zei ze snel. “Echt niet.”
Idris knikte. “We probeerden niemand pijn te doen.”
“Begin bij het begin,” zei ik zacht.
Calla keek naar haar handen. “We merkten dat mensen hier vaak munten laten vallen. Op straat. Bij het uitstappen uit de auto. Soms expres, soms niet……………